Very Special Fish - deel 2: You Eat All

 

Als we laat in de middag de camping opwandelen, zitten ze al met z’n vieren op ons te wachten: meneer en mevrouw Coco, en Haruto en zijn vrouw. Zo gauw ze ons ziet, springt Haruto’s vrouw op en komt ze, al buigend, op ons af. Voor we het goed en wel beseffen zijn onze tassen uit onze handen gepakt, onze badlakens te drogen gehangen, zitten we in een stoel en hebben we ieder een glas Awamori in de hand.  
Bert wordt gestationeerd bij de mannen, dicht bij de barbecue; de vrouwen zitten een stukje verderop op het veld. Mevrouw Coco zit aan de picknicktafel. De vrouw van Haruto heeft haar plastic tuinstoel pal naast de mijne gezet. 

We glimlachen. 

We knikken naar elkaar. 

Ik neem een slokje Awomori. Mevrouw Coco en de vrouw van Haruto hebben niets in de hand. Ik bied ze mijn glas aan. Ze slaan het beleefd af.

We knikken naar elkaar.

We glimlachen.

“Zullen we bij elkaar gaan zitten?”, roep ik naar Bert. 

Hij reageert niet.

“Zullen we anders gewoon allemaal bij elkaar gaan zitten”, probeer ik nog een keer, maar Bert concentreert zich op Haruto, die hem de verschillende soorten vis en vlees op de barbecue laat zien. Hij moet zijn aandacht verdelen, hij wil beleefd zijn tegen deze mensen die we allebei op onze eigen manier niet begrijpen. Maar het stoort me dat beleefdheid ineens een hiërarchie kent, één waarin mijn lage plaatsing op de rang voor mij meer als een verrassing lijkt te komen dan voor hem. 

Haruto brengt eerst Bert, dan mij een speklap op een bordje.
“I’m sorry,” zeg ik, “I don’t eat meat.” Nu krijg ik de blanco blik.  
“I’m vegetarian”, zeg ik.

Stilte.

“Beh-djie-taa-rian?”, probeer ik.  

De ôôôh-klanken barsten los. “Bejitarian”, hoor ik een paar keer. 
“No meat?”, vraagt Haruto, en hij beweegt het bord en de barbecuetang die hij vastheeft een paar keer uit elkaar als om mijn uitspraak in de lucht te onderstrepen. 
“No meat”, zeg ik. “Soemimasen.”

Stilte.

Ik zie de teleurstelling op de gezichten, niet omwille van mij maar omwille van henzelf; dit hadden ze moeten weten, dit hadden ze moeten vrágen - een teleurstelling die ik tijdens mijn tijd hier maar al te vaak heb gezien en heb leren herkennen als het begin van een schaamte waarna geen weg meer terug is.

“Fish is okay”, zeg ik, meer omwille van hen dan van mezelf.
De klanken barsten weer los. “Fish okay!”, roept meneer Coco, en mevrouw Coco klapt in haar handen.

Het loopt tegen zessen, we zitten in de laatste avondzon. De mannen schenken elkaar nog een glas Awomori in uit een kartonnen tweeliterpak en roepen vrolijk eenlettergrepige woorden naar elkaar die ik niet kan verstaan.
Haruto’s vrouw en ik willen net samen aan de salade beginnen als Haruto ineens in zijn vingers knipt en iets roept. Zijn vrouw springt op en rent richting de auto. 

Ze komt terug met een biertje. Hij pakt het aan, kijkt naar mij en snauwt. “She no drink?”

Haruto's vrouwt rent terug naar de auto, pakt een nieuw biertje, holt terug en drukt het mij gegeneerd in handen. Haruto buigt zich over de barbecue. Met één hand wappert hij de rook uit zijn ogen en met zijn andere hand laadt hij een bord vol met kleine visjes. 

Trots brengt hij het naar me toe en duwt het onder mijn neus. “For you!”

Op het bord liggen twintig sardine-achtige vissen, zo’n 12 centimeter lang, met ogen als kraaltjes en een licht bolle buik. Voorzichtig til ik één van de visjes aan de staart omhoog. Ik bedank Haruto, maar hij steekt het bord nog verder naar me toe. “All.” 

Ik neem het bord aan en zet het op schoot. Haruto blijft voor me staan; zijn vrouw, op het puntje van haar stoel, knikt me geestdriftig toe. Ik pak een visje op met mijn stokjes. Het is glibberig en schiet weg op het gras. Haruto’s vrouw raapt het op en legt het op haar eigen bord. Beiden wachten verwachtingsvol op mijn tweede poging.

“How do I eat this?”, vraag ik zwakjes. 

“All!”, zegt Haruto. “You eat all.” Zijn vrouw steekt het volledige visje in haar mond en kauwt, nog net niet met twee duimen in de lucht.

Ik leg mijn stokjes aan de kant en pak voorzichtig met mijn vingers een visje. Ik kauw erop. Er knapt iets. Mijn mond loopt vol met een soort plakkerige, couscous-achtige korrels.

“Is very special fish”, zegt Haruto. “Is pregnant fish.”

Het smaakt bitter, en licht-schimmelig. Ik durf niet goed te slikken; ik ben bang dat de visseneitjes achter in mijn keel blijven plakken. Zonder te stoppen met glimlachen spoel ik mijn hap eten weg met wat bier. Haruto glimlacht breed terug.
Haruto’s vrouw wijst naar Bert, wijst naar mijn bord, en weer naar Bert.
Bert is nog druk met eenlettergrepige woorden naar Coco te roepen en heeft van het gebeurde niets meegekregen. 
Ik steek mijn beide duimen in de lucht.
"Yeah, go bring him some", zeg ik. "Oh, absolutely. Give Bert the fish. He will love it."


Wordt vervolgd

 


Loading Conversation