Ontmoet

De gesprekken

Alles aan haar is keurig. Het gekapte haar, de rouge, de statige jas die haar kleiner maakt, maar ook een zeker gewicht geeft. Ze praat eerst via haar hond ("zachtjes doen hè?"), dan via mijn hond ("jij bent ook een leukie!"), dan maken we oogcontact.

“Mijn hond is onlangs overleden,” zegt ze.
“Ach, wat naar”, zeg ik. Ik kijk onwillekeurig naar de Malteser die rond haar voeten dribbelt.
“Niet deze", zegt ze. "Dit is een nieuwe. Hij is lang zo leuk niet als mijn oude hond. Maar ja, aan mijn oude hond was ik gewend.”
Ik denk: ik zeg nooit ‘naar’.

We staan voor het gebouw van het Centrum voor Leven en Intuïtie. Vroeger was dit het kantoor van de SS. Laatst zag ik een ingekleurde foto uit die tijd, met een straatbeeld dat nauwelijks is veranderd: statige panden aan weerszijden van een lange, brede laan met hoge bomen. ’s Avonds laat loopt hier vaak een bejaarde vrouw met haar twee hondjes. Ze doet me denken aan mijn oma, behalve dat ze altijd zo hard mogelijk doorloopt als ze me ziet. Toen ik haar toch een keer wist aan te spreken, gebruikte ik ergens in een beschrijving over het karakter van mijn hond het woord ‘schobbejak’.
Ik gebruik anders nooit het woord ‘schobbejak’.

“Wat is dat voor één?”
“Een vuilnisbakje,” zeg ik, “maar er-“
“Er zit wel iets in, hè? Ik zie iets bekends.” Ze scant mijn gezicht.
“Ja, er zit vooral corgi-“
“Corgi hè? Corgi? Dat is het. Ik zag het. Vuilnisbakjes kunnen soms verrassend goed lukken, hoor. Het is een mooi beestje. Je zou ermee moeten gaan fokken. Is het een hij?”
“Ja. Hij is een hij."
“Dit niet. Dit is een zij." De vrouw knikt naar de Malteser. "Eigenlijk wilde ik helemaal geen hond meer, maar ik miste de gesprekken zo.”
“O ja”, zeg ik. "Met de hond?", vraag ik.
Ze draait zich om. “Wij gaan nu die kant op.”
Terwijl ze al wegloopt, mompelt ze een groet. Ze wenst me iets fijns, maar ik weet niet wat het is.