Very Special Fish - deel 1: Freeter

 

Haruto is geen freeter uit vrije wil, al wil hij ons dat in eerste instantie graag laten geloven. Hij zit op een ochtend tegenover ons aan de grote houten campingtafel; zijn vrouw aan zijn zij. Ze zijn allebei zo rond de dertig en ze ogen vermoeid. Hij staart naar zijn koffie, zij werpt schichtige blikken onze kant op en knikt driftig-vriendelijk elke keer als we oogcontact maken. 

We zijn op een camping op het eiland Ishigaki-yima, bijna tweeduizend kilometer ten zuiden van Tokyo. We zijn de eerste gasten van het seizoen en we waren tot vanochtend ook de enige; iets waarvoor campingeigenaar Coco zich al herhaaldelijk heeft verontschuldigd, alsof het feit dat de meeste mensen niet willen kamperen in april een persoonlijke tekortkoming is.

De camping ligt aan de noordwestkant van het eiland en kijkt uit over een groot, groen bladerdak, met daarachter de zee. Via een geïmproviseerd en spekglad paadje kun je je door de jungle een weg banen naar beneden, naar een grijs strand met grillige stenen en duizenden kleine krabbetjes. 

“Ôôôh… Bie!”, zegt Haruto, wijzend naar de horizon. Ik knik en kijk naar Bert.

“Yes, beach!”, zegt Bert.

In theorie ben ik goed in talen: ik maak me de woordenschat snel eigen, doorzie vlot de grammaticale structuur en weet het toe te passen. Om vervolgens, in de eerste de beste situatie waar mijn talenkennis van pas zou komen, alleen maar met een blanco blik naar de persoon te staren die me inmiddels voor de vierde keer probeert uit te leggen hoe we moeten rijden. 
Ik kan me op veel plekken verstaanbaar maken, maar ik versta niemand.

“Ôôôh”, zegt Haruto. “Toh. Day? Toh day?”
“Yes, we are going to the beach today”, zegt Bert.
Ik knik. 
Haruto’s vrouw knikt hard met haar hoofd terug. 

Ze zijn net aan komen rijden; hun stampvolle stationwagon staat nog onuitgepakt op het veld geparkeerd. Haruto probeert ons uit te leggen dat hij op het eiland werkt. Deze week doet hij klusjes bij Coco. 

Ik hoorde de term freeter voor het eerst op de Dutch Pancake Camping van de Nederlandse Michel en zijn Japanse vrouw Mio. In een overgeorganiseerde, extreem prestatie- en statusgerichte samenleving als Japan zijn er altijd mensen die niet mee kunnen komen, of dat niet willen, had Michel ons uitgelegd. Veel van die mensen ‘vluchten’ naar de eilanden, waar ze een soort semi-nomadenbestaan leven als seizoenswerker op campings en boerderijen; hun auto als woning. 

Coco, een zwijgzame Taiwanees van in de zestig, hoort het verhaal van Haruto rustig aan. We schrikken als hij ineens begint te spreken, waarbij hij zijn bovenlijf iets naar voren kantelt. “Evening”, zegt hij. “Barbecue. All,” en hij wijst naar ons alle vier, “barbecue?”

“Barbecue tonight, sure!”, zeggen Bert en ik gauw. “We would love to.”

Haruto kan zijn blijdschap amper onderdrukken. Zijn vrouw knikt ons toe, breed lachend en diep buigend over het tafelblad. Meneer Coco straalt. We zijn niet meer alleen. Niemand is nog alleen. We zijn niet teleurgesteld in onszelf, de situatie of elkaar. We zullen een barbecue delen, en daarmee een ervaring, en daarmee een deel van ons leven, en voor zolang wij samen op deze camping zijn, worden we geen van allen buitengesloten.

 

Wordt vervolgd

 


Loading Conversation