JAPAN

Ga naar

Vietnam

Newcastle

Huis

In 2010 wilden Bert en ik voor het eerst samen op reis. Geen autovakantie naar Portugal, zoals de jaren ervoor, maar nog verder.
Hij wilde naar Australië.
Ik wilde naar Mongolië.
“Australië vind ik zo cliché”, zei ik, die nog nooit buiten Europa was geweest.
“Ik ga echt niet de hele vakantie yakmelk drinken”, wierp Bert tegen.

Het was zondag, we zaten in bed met een kop koffie en een boekje het begin van de dag nog een beetje uit te stellen. We hadden geen smartphones of tablets of iets anders waarmee we elkaar met direct internetbewijs om de oren konden slaan. Ik bleef even stil en dacht na.
“Japan ligt ongeveer in het midden?”, zei ik.
Bert opende zijn mond om het met me oneens te zijn, sloot hem weer. Hij dacht na. 

We wisten allebei zo goed als niets van het land. Ik las geen Murakami, hij luisterde niet naar The 5.6.7.8's, we hadden niets met manga of met koikarpers. We aten hooguit af en toe sushi en Japanse mix. Maar mijn keuze voor het land was eigenlijk al genomen op het moment dat ik het uitsprak, en, zoals hij later toegaf, voor Bert ook.

We gingen naar Japan.
En we gingen er kamperen. Om de kosten te drukken, maar ook zodat ik toch nog iets had aan dat lichtgewicht tentje dat ik een paar jaar daarvoor, pre-Bert, voor een solokampeervakantie had gekocht maar niet veel had gebruikt. (Lang verhaal kort: we kregen vlak voor die vakantie verkering en ik miste Bert heel erg terwijl ik in mijn eentje in mijn tentje aan de Baskische kust huilend Simone de Beauvoir en Cormac McCarthy lag te lezen [thema’s: de wereld is de hel, iedereen moet dood] en naar mijn eveneens solokamperende buurman blafte dat, nee, ik nog steeds niet bij hem in de slaapzak wilde komen liggen. Ik was vrij snel weer terug in Nederland.)

Dat waren ze, onze redenen. Het tentje, en de geografische soort-van-in-het-midden-ligging tussen de twee landen waar we niet naartoe gingen. Het werd één van onze mooiste, intensieve en meest bevreemdende ervaringen ooit.

’s Ochtends trokken we warme blikjes koffie uit een straatautomaat, ’s avonds stroomde er gloeiend hete groene thee uit de tap. Eén van de onsens (badhuizen) die we bezochten liep leeg omdat de yakuza er was. Op een kunstfestival in Tokyo stonden bezoekers liefdevol een beeldscherm te aaien waarop een kattenvideo werd uitgezonden. We slalomden in het park tussen de telezoomlenzen die op elke bloeiende kersenbloesemknop stonden ingesteld. We putten ons uit in soemimasens (sorry’s). We liepen door tulpenvelden en beklommen de Utrechtse Dom in een nagebouwd Nederland.

En op een avond bevond ik me in een tafeltrekgevecht met een dronken Japanner. 

 

> Very Special Fish - deel 1: Freeter

“Fish is okay”, zeg ik, meer omwille van hen dan van mezelf.

 

> Very Special Fish - deel 2: You Eat All

Ik glimlach als dank voor zijn hulp, maar hij trekt de tafel uit mijn handen, terug naar binnen.

> Very Special Fish, deel 3: No Problem