Mijn zusje was een jaar of twintig toen ze voor haar studie naar Utrecht verhuisde. Ze kwam terecht in Lombok, in een donkere eengezinswoning waar ooit met minder dan goede wil een studentenhuis van was gemaakt. In alle kamers en gangen lag versleten grijs tapijt; de keuken was sinds de jaren zestig (van de 19eeeuw, naar het zich liet aanzien) niet meer opgeknapt.

Op een dag zocht ik haar op op haar nieuwe kamer. Ze was van haar eerdere 2-bij-2-berghok doorgeschoven naar een spatieuze 3 bij 4, met raam. De dynamiek van het studentenleven was aan mijn zusje niet besteed. Om het contact met haar huisgenoten zoveel mogelijk te mijden – “Ik vind ze wel aardig, ze willen alleen steeds van alles van me wéten!” – had ze op haar kamer een verzameling kleine keukenapparatuur gestald die haar in staat stelde niets van haar favoriete tv-programma’s te missen en tegelijkertijd niet om te komen van de honger of de dorst.

Het enige waarvoor ze af en toe nog naar de keuken moest, was om haar magnetronmaaltijden of pizza op te warmen, vertelde ze, terwijl ik een plekje op haar bed vrijmaakte om te kunnen gaan zitten. Koken had ze opgegeven toen ze concludeerde dat kant-en-klaarmaaltijden per saldo goedkoper waren dan het steeds weer aan moeten schaffen van een nieuwe pan.

“Je kunt ook iets eerder de afwas doen dan, zeg, drie weken nadat je gekookt hebt”, stelde ik voor. Bij mij was het nog niet zover gekomen dat ik een door schimmel bijna overwoekerde pan echt weggooide – die van mij stond voorlopig onder een struik in de tuin. Maar als Grote Zus ervoer ik plotseling een verantwoordelijkheid om mijn zusje te wijzen op de demotiverende werking van volle stofzuigerzakken, de noodzaak van Antikal, en het belang van het ‘voorweken’ van de vaat.

“Ja…” Mijn zusje haalde haar schouders op. “Kán.”

Ik vroeg hoe het op school ging. Het ging goed. Ik hoorde mensen thuiskomen; vanuit de keuken kwamen geluiden van stemmen en rammelende besteklades en klinkende bierflesjes. Mijn zusje trok, zittend vanaf haar bed, een blik knakworsten tevoorschijn. Ik vroeg naar vakken, tentamens, cijfers. Mijn zusje had de middelbare school verlaten op een LBO2-niveau, haar VMBO-diploma op een andere school behaald, via de LOI een aantal vakken met HAVO-certificaat afgesloten; ze volgde op dat moment een MBO-opleiding en zou later, met een omweg via de Hogeschool Utrecht, geselecteerd worden voor drie Britse universiteiten en naar Newcastle verhuizen, maar ik was niet helemaal overtuigd van haar inzet. Mijn zusje gaf routinematig antwoord op mijn vragen, opende het blik knakworsten, goot het leeg in de waterkoker, en zette de waterkoker aan.

Ik wist even niets meer te zeggen. Mijn zusje zapte langs wat kanalen. Uit de koker kwam een aanzwellend gesis dat overging in een laag geborrel, met een harde klik sloeg hij uit. Mijn zusje stond op en goot het water af in het wasbakje in haar kamer. Daarna keerde ze de waterkoker om boven een bord. Ze hield het me voor. “Wil je ook?” Ze trok het gauw terug. “O nee. Je bent vegetariër natuurlijk.” Ze keek rond in haar kamer. “Ik heb wel wat chips ergens, denk ik?”

Ik bedankte.
Ik vroeg of dit haar avondeten was (ja) en of ze dat vaker zo bereidde (ja).
“Ik heb er ook wel eens een ei in gekookt”, zei m’n zusje.
“Maar dan moet je de hele tijd die knop naar beneden gedrukt houden”, zei ik.
“Ja”, zei ze.
“Een minuut of zes toch zeker.”
“Ja. Daar had ik geen zin in.”
“O.”
“Het werd een heel slap ei.”
“Ja.”
“Mijn klasgenoot N. heeft er wel eens melk in gekookt.”
“O?”
“Dat is dus niet zo goed voor je waterkoker.”
“Nee”, zei ik.
Mijn zusje zette de tv wat harder. America’s Funniest Home Video’s ging beginnen.

“Wil je thee?”, vroeg mijn zusje.
Ik bedankte.

 

 

Dit verhaal is in 2013 gepubliceerd op christinegeense.nl

 

Vorige gang

Loading Conversation