Of ik meeging, paardrijden.

Ik was vroeger zo’n paardenmeisje. Ik had een verzorgpony en een cap en de typische air van het betweterige kind dat bij grappen over een lekker stukje paardenvlees betekenisvol diep zucht.
Natuurlijk ging ik mee.
Maar dan wilde ik wel in galop. Niet suf alleen een beetje stappen en draven – ik wilde scheuren, het echte werk. Natuurlijk, ik had vijftien jaar geleden voor het laatst op zo’n knol gezeten, maar paardrijden is als fietsen, toch? Dat verleer je nooit.

Met z’n vieren togen we op een zondagochtend naar een manege aan de Noord-Hollandse kust. Drie van ons hadden het paardrijden herontdekt en namen al geruime tijd lessen bij een manege, één van ons vroeg zich af of ze haar zorgverzekering op tijd had betaald.
De manegehoudster was pissig omdat we twintig minuten te laat waren; ze had de paarden alvast maar door een paar kinderen op laten zadelen, vertelde ze, omdat we anders de hele groep zouden ophouden. Gehaast ging ze ons voor door de stallen.
Vanaf het moment dat ik mijn paard ‘Ukkie’ (manegehumor – snap je ‘m?) moest bestijgen, wist ik dat ik een fout had gemaakt door mee te komen. Zelfs met behulp van een ‘opstapkist’ lukte het me niet om normaal op mijn paard te klimmen. Een klein meisje sloeg het gebeuren hoofdschuddend gade. Ik wilde mijn tong naar haar uitsteken, maar ik had ‘m nodig voor mijn concentratie.
Toen ik eindelijk zat, vroeg de manegehoudster of ik al aangesingeld was.
“Weet ik niet”, zei ik in al mijn naïviteit.
“Ik dacht dat jullie gevorderd waren!” De manegehoudster was nu echt boos.
“Ik heb vroeger heel veel gereden”, zei ik.
“Ja, vroeger!”, riep ze uit, terwijl ze mijn been naar voren gooide, een deel van het zadel omhoogklapte en de singel een paar gaatjes strakker aantrok. “Als je geen ervaring hebt, kan een buitenrit le-vens-gevaarlijk zijn.”
Daar twijfelde ik niet aan.

In een lange slinger gingen we op pad. Onder begeleiding van de manegehoudster staken we de weg over naar een ruiterpad dat na een paar honderd meter de duinen inliep. Na tien minuten stappen had ik last van m’n rug, scherpe steken bij m’n knieën en een beurse kont. Elke keer dat we linksaf sloegen, stak ik mijn hand uit en probeerde ik met mijn linkervoet terug te schakelen.
Ik herinnerde me een vraag die ik eerder had willen stellen. “Hoe lang duurt zo’n buitenrit eigenlijk?”
De vraag werd doorgegeven naar voren. De manegehoudster keerde zich om op haar zadel. Ik probeerde ontspannen te kijken.
“Twee uur”, zei ze.
“Ah, oké, dank je wel!” Ik keek zo opgewekt dat het aan manisch grensde.
Ik vroeg me af of ik mocht vragen of ik om mocht keren. Misschien wilde er wel even iemand met me meerijden, een ervaren iemand die hier bekend was, die de groep later weer in zou halen. Ik durfde het niet te vragen.

We reden door een prachtig natuurgebied. De zon scheen. De paarden briesten. Ik dacht terug aan lange ritten over de stranden van Texel, galopperend langs de branding, onze Fjorden de ogen wijdopengesperd, de oren plat in de nek. Op het duinpad richting het bos kwamen ze rustig stappend op adem, dampend van het zweet en kauwend op hun bit. We lieten de pony’s drinken bij het Turfveld waar mijn vriendinnetje Annemieke en ik raspatatjes aten op het terras.
“Draf!”, riep de manegehoudster, en ik greep me vast aan het zadel. De billen van het meisje voor me kwamen los van het zadel en landden weer zachtjes, hop-hop, hop-hop. Lichtrijden. Ik klemde mijn bovenbenen tegen het zadel en probeerde een stukje omhoog te komen. Het paard voor me stopte. Mijn paard stopte. Ik viel een stukje voorover. De paarden draafden verder. Ik probeerde rechtop te gaan zitten, terwijl ik als een epileptische aanval in het zadel stuiterde.
“Gaat ie goed?”, riep de manegehoudster.
“Jee!”, riep de groep.
“Jee”, riep ik.
“Dan gaan we nu… in galop!”
Als een kanonskogel schoot de slinger naar voren. Mijn paard brieste. Ik stuiterde hoger. Ik klemde m’n verkrampte bovenbenen weer in het zadel, maar vergat kracht te zetten op mijn voet waardoor die uit de stijgbeugel vloog. Ik boog mijn hoofd tegen overhangende takken, liet de teugels vieren en klemde me met beide handen vast aan het paard z’n manen. Ik moest gewoon zorgen dat ik bleef zitten. Nog maar een uur en drie kwartier. Gewoon blijven zitten.
De groep werd abrupt tot stilstand gebracht en de slinger maakte een S-vorm. Ik keek op vanonder mijn cap. Tien rijders keken terug.
“Dat ging niet zo goed, hè?”, zei de manegehoudster.
“Ik was mijn stijgbeugel kwijt”, zei ik.
“Ik wil geen ongelukken. Vanaf nu gaan we alleen nog stappen en zachtjes draven.”
Tien ruiters zuchtten.

Een uur en drie kwartier later kwamen we terug op de manege. We lieten de paarden even uitstappen in de binnenbak, daarna zetten we ze op rij en mochten we afstappen. De volgende les ging beginnen.
Ik zat vast.
Ik wilde mijn rechterbeen wel over het zadel zwaaien, maar ik kon het niet. Ik kon ‘m niet optillen.
Ik boog ver voorover zodat ik op de hals van het paard lag, met mijn neus in zijn manen, en zwaaide mijn been over zijn achterwerk. Ik plaatste mijn handen op het zadel en probeerde mezelf voorzichtig te laten zakken, maar mijn linkervoet zat nog vast in de stijgbeugel en ik zag mijn knie steeds dichter bij mijn kin komen. Ik wurmde mijn voet los, raakte de grond en struikelde tien stappen achteruit om niet op mijn kont te vallen.
Gelukkig bleef dat me bespaard.
De pijn in mijn lijf verbijtend, bracht ik Ukkie terug naar zijn stal. De opening was klein en het hok was smal – moest ik ‘m nu achteruit inparkeren, of…? Een vrouw nam het van me over.
“Hee lekker ding!”, zei ze op hoge toon. “Hoe is het met m’n lekkere ding? Hoe is het met m’n lekkere ding? Heb je lekker buiten gereden?”
Het was even stil. Ik voelde me enigszins verplicht om namens het paard te antwoorden.
“Het was heel leuk”, zei ik.
De vrouw had alleen maar oog voor Ukkie. “Je bent ook zo’n lekker ding, hè. O, jij rijdt zo lekker. Jij rijdt zo lekker!”
Ik ging een kind zoeken om het paard voor me af te zadelen.

We leverden onze caps in bij de bar, vanwaar je uitkeek over de gehele binnenbak. Een groepje tien-, twaalfjarige meisjes observeerde de les die daar gaande was.
“Zij kan dus écht niet lichtrijden, hè”, zei er één. Ze knikte naar een elegant rijdend meisje op een witte pony, die met gebogen hoofd rondjes draafde door de bak.
“Nee…”, beaamde een ander. “Ik vind het echt zíelig voor Snowy.”
Het meisje op de witte pony zwaaide. De meisjes in de kantine zwaaiden terug. Ze namen een slok van hun chocomel.
“En ze kan óók écht niet voltigeren.”

Ik kon anderhalve week lang niet normaal lopen.

 

*
Toen ik deze videoclip van Rudimental voor het eerst zag, dacht ik vooral: wat ontzettend origineel. Die jonge, zwarte straatschoffies, galopperend door the projects of driftig in de weer met een roskam – de beelden waren vreemd, lief en ook een beetje treurig. Alsof het decor en de acteurs van The Wire figureerden in een moderne aflevering van Black Beauty. Prachtig om te zien hoe het de regisseur was gelukt om twee van die totaal contrasterende beelden geloofwaardig bij elkaar te brengen.

 

 

Maar dit is dus echt.

In Fletcher Street in Philadelphia, waar deze videoclip zich afspeelt, staan al sinds jaar en dag stallen. Men weet niet anders of men heeft in die buurt altijd midden tussen de paarden gewoond. Met de tijd is de wijk flink verloederd en door hoge werkloosheid en de vele verslavingsgevallen is het perspectief van de kinderen daar ook ernstig beknot. In Fletcher Street leren ze rijden, krijgen ze verantwoordelijkheid over een dier en worden ze in de stallen hard aan het werk gezet.

This American Life maakte er een leuke, korte documentaire over.
“Does your girlfriend know you ride horses?”
“Yeah… She think they ado’able.” (Diepe zucht)

 


Loading Conversation