Deel 3

Op onze tweede avond in Saigon ontmoeten we onze vrienden Esther en Iwan. Zij zijn de reden van onze keus voor Vietnam. Dat ging zo:
Esther: “Hebben jullie nog plannen voor een vakantie?”
Ik: “We willen wel heel graag, maar we weten niet waarheen.”
Esther: “Wij gaan in november naar Vietnam.”
Ik: “Aaah, dat moet heel mooi zijn. Volgens Top Gear. Er zijn daar veel brommers, je kunt er kleding op maat laten maken en de hele dag loempia’s eten.” (Boekt ticket.)

En zo lopen we op onze tweede avond met Esther en Iwan rond de Ben Thanh-markt, op zoek naar de plek waar zij de dag ervoor zo lekker hebben gegeten.
“Volgens mij was het deze”, zegt Iwan. We staan voor een grote, door tl-balken verlichte tent waarvan het zeil aan de voorkant is opgerold. In het midden van de tent werken zwetende koks tussen sissende kookplaten en stomende pannen.
“Delicio food yes!”
“Het was toch een stukje verderop?”, vraagt Esther. We kijken langs de rij van identiek uitziende tenten.
“In die tent van gisteravond –“
“You fouh people?”
“ – hadden we –“
“You fouh people you come!”
“ – veel vegetarische keus”, zegt Iwan, de ober negerend die nu al een tijdje uit alle macht aan z’n arm hangt.
“Come!”
“Volgens mij was dat hier hoor”, zegt Iwan. “Doen?”
Wij vinden alles best. Gisteren heb ik een vegetarische pho (noedelsoep) besteld dus een pho met kip gekregen, en opgegeten omdat het anders weggegooid zou worden. Ik had al vijftien jaar geen kip meer gegeten en kreeg het weg door me in te beelden dat het quorn was. Ik kan alles hebben.

De ober dirigeert ons dwars door de drukte naar een paar vrije stoelen en smijt de menukaart in onze schoot. De keuze is vlees of vis.
“Dit is niet waar we gisteren hebben gegeten”, zegt Esther.
Omdat ik niet moeilijk wil doen (lees: ik ben reeds halverwege m’n halveliterpul met ijs), kiezen we voor een hot pot met vis. Dat krijg ik wel weg. Volgens de omschrijving is het een maaltijdsoep die je met z’n vieren deelt. De ober zet een gasbrandertje aan en plaatst een pannetje erboven met een brede schaal langs de rand, waarop wat groenten liggen. Terwijl de bouillon in de pan verwarmt, praten wij bij over de vakantie. Iwan en Esther zijn al een paar dagen in Vietnam en zitten vol verhalen en reistips. Na vandaag zal het nog anderhalve week duren voor we elkaar weer gaan zien, op het eiland Phu Quoc, waar we een huisje hebben geboekt.

De ober komt weer langs en legt een stuk of twintig grote garnalen op de schaal. Esther zit net middenin een verhaal als ik vanuit mijn ooghoeken iets zie.
“Hij beweegt”, zeg ik.
Van één garnaal bewegen de voelsprieten.
“Komt door de stoom”, zegt Esther. “Het lijkt maar zo.”
De garnaal klauwt met een poot door de lucht.
“Niet!”, roep ik. “Zie dan!”
We kijken allemaal naar de garnaal.
“Stuiptrekkingen”, zegt Iwan. “Grappig hè, ze doen hier ijsklontjes in je bier.”
“Inderdaad!”, roept Bert. “Dat is echt heel… koud!”
“Wat hebben jullie gisteren allemaal gegeten?”, vraagt Esther. Ik vertel haar uitgebreid over mangoshakes en pho en hele lekkere gebakken rijst en – wacht eens even.
“Moet je die mensen achter je eens zien!”, zegt Iwan. “Moet je zien, Chris, die moet je observeren, als schrijver!”
“Er beweegt er nóg een”, zeg ik.
Iwan en Bert kijken met het soort ernst dat voorbehouden is aan mensen die hun uiterste best moeten doen om je niet heel hard uit te lachen.
“Dit is niet grappig”, zeg ik.
“Ach, het is tenminste wel eerlijk”, probeert Iwan. “Je weet in elk geval waar je eten vandaan komt.”
“IK WEET WAAR HET VANDAAN KOMT DAAROM BEN IK OOIT GESTOPT MET HET TE ETEN”, roep ik.
“Moet je overgeven?”, vraagt Esther.
Nee, ik moet niet overgeven.
“Je ziet nogal bleek.”
Ik voel me ook bleek, maar niet vanwege die stomme garnalen. Mijn hoofd voelt alsof het vacuüm wordt getrokken. Mijn stoel zweeft en helt naar links, ik heb geen bodem meer onder mijn voeten. Jetlag. De achtergrondgeluiden van het restaurant zijn oorverdovend maar Esthers stem klinkt alsof ze praat met een helm op. “Chris?”, hoor ik. “Chris? Hee, Chris?” Ik kijk haar aan. “Is dat een nieuwe jurk?”, vraagt ze. Ik voel nattigheid en kijk naar de schaal.
Die bestaat inmiddels uit één grote krioelende garnalenmassa.
“THEY’RE ALIVE”, roep ik.
“En nou?”, vraagt Iwan. Zijn ernst van net is verdwenen. We staren zwijgend naar de wriemelende hoop grijze beestjes.
Dan komt de ober langs. Hij ziet ons kijken, constateert dat de bouillon kookt, en veegt in één beweging alle garnalen de borrelende soep in. Ploep. Het gewriemel stopt abrupt. Langzaam kleuren de garnalen roze.
“Nu zijn ze dood”, zegt Esther.
“Zijn ze nu echt dood?”, vraag ik.
“Ze zijn nu echt dood”, zegt Esther. “Ze hebben namelijk maar één hersencel.”
“O ja”, zeg ik. “Oké.”
“Mooi, da’s opgelost!”, zegt Iwan, en hij begint enthousiast soep op te scheppen.
“Esther?”, piep ik. “Wil jij mijn garnalen pellen?”

“O verrek, hier was het!”, roept Iwan later die avond, als we bij het naar huis gaan langs het aangrenzende restaurant lopen.

 


Loading Conversation