In de rij voor de kassa komt een vrouw dicht tegen me aan staan. Ze ruikt niet lekker.

Ze bijt op haar nagels en kijkt met grote ogen haar boodschappen na, alsof ze zouden kunnen ontsnappen.

Ik zag haar al even toen ik tegelijk met haar de winkel binnenkwam. Een man hield haar staande en bracht haar aan het giechelen met een compliment over haar huidskleur.

“Ben je vegetarisch ofzo?”, vraagt ze. Ze heeft zich zo achter me verscholen dat ik een half rondje om m’n as moet draaien om haar aan te kunnen kijken. Als ik antwoord met een nukkig “Ja”, vraagt ze: “Waarom?”
Ik zeg even niks. Ik heb net, thuis, twee uur lang gejankt, afgewisseld met momenten van apathisch voor me uitstaren. Ik wil niet worden gezien. Niet door haar en niet door andere klanten, van wie de nieuwsgierige blikken onze kant opschieten. “Omdat ik liever geen dieren eet”, is het slapste antwoord dat ik kan bedenken.
Ze giechelt en slaat haar hand voor haar mond. “Dat is logisch, toch?”

“Als je het al weet, waarom vraag je het dan?” Zo. Nu doe ik onbeleefd. De boot is aan!

De vrouw kijkt zo geschrokken dat ik mijn excuses aanbied en haar kort vertel waarom ik geen vlees wil eten.
Volgens haar moet ik dan echt Britain’s Got Talent kijken. In een van de auditities legt een klein meisje uit waarom ze vegetariër is, zo schattig. En van zo’n klein meisje komt het echt aan, veel meer dan wanneer een volwassene het zegt. Ik moet het maar eens via Youtube opzoeken; Olivia heet dat meisje, Olivia Newton-John. “Kijken hè?”, zegt ze verheugd. “Echt doen hè? Beloofd?”

Ik beloof het.

De caissière vraagt om mijn bonuskaart en op het moment dat ik die haar geef, valt er een bel waterig snot uit mijn neus. Ik zeg sorry. De vrouw kruipt weer tegen me aan.

“Mijn dochter wil later dierenarts worden”, zegt ze. “Ze zegt: mamma, hoe beter je de mens leert kennen, hoe meer je van de dieren gaat houden.”

“Wat mooi.” Ik neem afstand en controleer of mijn portemonnee nog in mijn tas zit.

“Ik ga haar zeker jouw verhaal vertellen.” Ze rekent haar boodschappen af: twee halveliterblikken bier en een goedkope variant energiedrank. “Dag moppie”, zegt ze met een knipoog. Met hoekige heupbewegingen loopt ze naar de uitgang. Ze draagt een rood velours joggingpak; op de achterkant staat in grote goudkleurige letters het logo van Chanel.

De man van zojuist heeft op haar gewacht. Ik loop langs ze naar buiten, naar mijn hond. Een meisje van een jaar of elf is hem aan het aaien. Met haar andere hand houdt ze een kinderwagen vast, waarin een baby ligt te slapen. We praten even over de hond.

“Je kan wel zien wie mijn kind is”, zegt de vrouw lachend als ze naar buiten komt, met de man in haar kielzog. “Mijn kleine dierenarts. Zeg maar dag tegen het hondje!” Zij en haar dochter moeten dezelfde kant op als ik. Ik loop langzaam zodat ik achterop raak. Ik zie hoe de man een stukje achter ze aan loopt, dan hen inhaalt; hij pakt de arm van de vrouw en trekt haar mee. Ze giechelt. Het meisje heeft moeite hen met de kinderwagen bij te houden.

Ze slaan rechtsaf, mijn straat in. Mijn hond rent vooruit en ik trek hem gauw terug aan zijn riem: nog even niet. Uit het zicht blijf ik wachten op de hoek. De hengsels van mijn boodschappentas snijden in mijn vingers. 

“Rot op, ik ken je niet eens!”, hoor ik de vrouw roepen. Ik doe alsof ik rechtdoor moet en terwijl ik mijn straat oversteek, kijk ik wat er aan de hand is.

De vrouw loopt lachend van de man weg, maakt een draai alsof ze op een catwalk staat en loopt weer op hem af.  De man steekt zijn handen in de lucht. “Kom op! Ik heb alles!” zegt hij. “Ik ben bruin, ik heb een grote auto, ik heb gouden tanden; wat wil je nog meer?”

“Mam”, roept het meisje.

Ik blijf weer staan wachten, nu op de andere hoek van de straat. Als de vrouw me hier ziet, zal ze misschien willen weten of ik hier ook woon, en waar dan. Ik bedenk dat ik op visite ben bij een vriendin. Ik heb boodschappen voor haar gedaan. Ik loop door deze straat omdat mijn vriendin hier woont.

De stemmen worden zachter. Ik kijk of de kust veilig is, ga de hoek om en loop gauw richting huis. Ze zijn een zijstraat ingeslagen. Het meisje loopt met de kinderwagen een stukje achter haar moeder. De man heeft zijn arm om de vrouw, hij houdt haar stevig vast. Met gebogen hoofd loopt ze, half struikelend, in zijn snelle tempo door.

 

Vorige
Volgende

Loading Conversation